U bent hier:Home MatchingsAutoriteit FAQ
Op deze pagina vindt u de Frequently Asked Questions, ofwel de veelgestelde vragen, over de toepassing van de Wet identiteitsvaststelling verdachten, veroordeelden en getuigen (WIVVG). Staat uw vraag hier niet tussen, dan kunt u uw vraag mailen naar info@justid.nl onder vermelding van FAQ.
De Wet identiteitsvaststelling verdachten, veroordeelden en getuigen (WIVVG) is op 1 oktober 2010 in werking getreden. Deze wet bevat nieuwe regels voor de vaststelling van de identiteit van verdachten, veroordeelden en getuigen in strafzaken. De wet raakt alle partijen en organisaties in de strafrechtsketen.
Hieronder worden de antwoorden gegeven op veelgestelde vragen over de uitleg en toepassing van de wet. De vragen en antwoorden zijn, voor zover mogelijk, gegroepeerd volgens de logica van de keten:
opsporen --> vervolgen --> berechten --> tenuitvoerleggen --> re-integreren
Niet alle vragen vallen echter in dit schema te passen.
Het burgerservicenummer (BSN) is bedoeld ter ondersteuning van de dienstverlening van de overheid aan burgers. Toepassen van strafrecht (het opleggen van een straf of maatregel) kan waar het gaat om de verdachte of veroordeelde moeilijk worden gezien als een aan hem of haar verleende dienst. Het BSN wordt bovendien gebruikt voor een groot aantal gegevensstromen tussen een groot aantal instanties binnen en buiten de overheid. Het is wenselijk de strafrechtelijke gegevens afgeschermd te houden van die gegevensstromen. Daar komt bij dat in de gevallen dat een identiteit van de verdachte is vastgesteld met behulp van vingerafdrukken, niet de personalia maar de vingerafdrukken de basis vormen van het SKN. Van het BSN vormen doorgaans personalia de basis (tenzij het gaat om een vreemdeling die met behulp van zijn of haar vingerafdrukken is geïdentificeerd voordat aan hem of haar een vreemdelingennummer en/of BSN is toegekend).
Het SKN is uitsluitend bedoeld voor de onderlinge communicatie tussen partijen binnen de strafrechtsketen (en met de vreemdelingenketen voor zover het gaat omverdachten die tevens vreemdeling zijn). Voorkomen moet worden dat het nummer gaat circuleren buiten dit door de wet afgebakende domein. Het is daarom ongewenst dat het SKN wordt vermeld op documenten die (alleen) naar burgers (justitiabelen) gaan, zoals brieven, of op documenten die naar instanties buiten de strafrechtsketen gaan. Het nummer bevat geen informatie.
Nee; voor anderen dan verdachten en veroordeelden, bijvoorbeeld bezoekers, geldt de WIVVG niet. In die situaties geldt alleen de Wet bescherming persoonsgegevens (en eventueel sectorspecifieke regelgeving, bijvoorbeeld regels die specifiek binnen DJI gelden).
Nee. Voorop moet worden gesteld dat biometrische identificatie in beginsel alleen verplicht is bij verdachten die zijn aangehouden voor een misdrijf als omschreven in artikel 67 lid 1 Sv (in geval van twijfel over de identiteit ook voor lichtere feiten, ter beoordeling van ovj of hulp-ovj). En dat de WIVVG er niet toe verplicht verdachten aan te houden enkel omdat zij (biometrisch) geïdentificeerd moeten worden. Voor het overige geldt: (a) dat de wet geen onderscheid maakt tussen meerderjarigen en minderjarigen als het gaat om de identiteitsvaststelling, (b) dat het argument van “bagateldelicten” ook opgaat voor meerderjarige verdachten, (c) dat de voorwaarde "misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten" binnen het Wetboek van Strafvordering een zeer veel gehanteerde drempel is voor de toepassing van dwangmiddelen en dat het juridisch erg lastig is om nader onderscheid te maken binnen die categorie delicten, (d) dat de ID-gegevens worden vernietigd als de minderjarige verdachte een HALT-afdoening goed heeft voltooid, (e) dat elke wet, ook deze, niet mechanisch maar met verstand moet worden toegepast, en (f) dat de naleving van de wet en het protocol regelmatig zullen worden geaudit en dat in dat verband dus van mensen zal worden gevraagd hun keuzes te verantwoorden.
(Van een verdachte die ten tijde van het plegen van het misdrijf de leeftijd van 12 jaar nog niet heeft bereikt, mogen geen foto’s en vingerafdrukken worden genomen, zie artikel 487 lid 1 Sv.)
De invordering als zodanig maakt het rijbewijs nog niet ongeldig als identiteitsbewijs. Alleen geraakt het document daarmee, als het goed is, uit de macht van zijn bezitter, zodat hij er niets meer aan heeft. Maar zolang het document feitelijk nog in zijn bezit is, ook al is dat bezit (juridisch) ten onrechte, kan het als identiteitsbewijs dienst doen (uiteraard: mits aan alle vereisten is voldaan).
Is echter de geldigheid van het rijbewijs geschorst op grond van artikel 131, derde lid, WVW 1994, dan is sprake van een rijbewijs dat (tijdelijk) niet geldig is in de zin van art. 107 WVW 1994.
Ja, voor zover het gaat om een strafbeschikking, voorwaardelijke veroordeling of voorwaardelijke invrijheidstelling. Voor de strafbeschikking, de voorwaardelijke veroordeling en de voorwaardelijke invrijheidstelling is geregeld dat de verdachte of veroordeelde in het kader van de naleving van de (gedrags-)voorwaarden medewerking moet verlenen aan de vaststelling van zijn identiteit, al dan niet met vingerafdrukken. Er staat niet in de wet dat die verificatie maar één keer mag worden uitgevoerd. Om praktische redenen kiezen bijvoorbeeld de reclassering en de kinderbescherming ervoor om bij de tenuitvoerlegging van taakstraffen alleen bij intake (eenmalig) de verificatie uit te voeren. Maar de wet verzet zich er niet tegen om dat vaker te doen, bijvoorbeeld elke keer dat de verdachte of veroordeelde zich moet melden in het kader van de meldingsplicht. De verdachte of veroordeelde is verplicht mee te werken aan het vaststellen van zijn identiteit, ook door mee te werken aan het nemen van zijn vingerafdrukken; maar bij een weigering heeft de politie in dit geval géén bevoegdheid om dwang toe te passen. Dan kan zij, net als de reclassering of de kinderbescherming, alleen een signaal afgeven aan de officier van justitie dat de verdachte of veroordeelde een voorwaarde niet naleeft. Bij schending van de voorwaarden kan de rechter, op vordering van de officier van justitie, de insluiting van de veroordeelde bevelen.
Volgens artikel 172a Gemeentewet kan intussen ook de burgemeester een dergelijk bevel (meldingsplicht) geven. En volgens artikel 509hh WvSv ook de officier van justitie in het kader van de "gedragsaanwijzing". Daarvoor mogen de strafrechtelijke identiteitsgegevens niet worden gebruikt. Hetzelfde geldt bijvoorbeeld bij een door de burgemeester of officier van justitie opgelegd gebiedsverbod. De verificatieprocedure met vingerafdrukken (P2) kan in die gevallen dus niet worden gebruikt. De politie zal, als het gaat om de bevoegdheden rond identiteitsvaststelling, dus onderscheid moeten maken naar de wettelijke titel van de meldingsplicht.
Nee. Voor de aanhoudingen op grond van artikel 564 is de WIVVG niet geschreven. Dat hoeft ook niet. Want een opsporingsambtenaar kan in ieder geval inzage in het identiteitsbewijs van de betrokkene vorderen (op grond van artikel 8a Politiewet 1993). En als de aanhouding gedaan is met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsbenemende straf of maatregel (wat meestal het geval zal zijn), wordt de identiteit van de verdachte bij binnenkomst in de penitentiaire inrichting geverifieerd met vingerafdrukken.
Verder bevat het Wetboek nog een aparte regeling voor het geval dat degene die is aangehouden tot het ondergaan van straf, blijft ontkennen de veroordeelde te zijn. In dat geval moet de rechtbank beslissen. Zie de artikelen 579 tot en met 584 van het Wetboek van Strafvordering.
Nee, de WIVVG kan alleen worden toegepast als de verdachte een mens van vlees en bloed (in juridische termen: een "natuurlijk persoon") is. Als de verdachte een rechtspersoon is, kan de WIVVG niet worden toegepast, ook niet tegen degene die de rechtspersoon vertegenwoordigt in de strafzaak. Iets anders is dat naast de rechtspersoon ook de bestuurder c.q. vertegenwoordiger zelf soms verdachte kan zijn; in dat geval kan de WIVVG natuurlijk wel worden toegepast.
Nee. De WIVVG schrijft niet voor dat of wanneer iemand moet worden aangehouden. Zij regelt alleen dat áls een verdachte is aangehouden voor een misdrijf waar voorlopige hechtenis op staat, de identificatie moet worden uitgevoerd volgens de nieuwe regels. Voor de vraag of en wanneer een verdachte moet worden aangehouden, blijven de oude regels gelden.
Als er een proces-verbaal wordt opgemaakt in een zaak die niet leidt tot een identificatie met foto's en vingerafdrukken, wordt er automatisch een SKN toegekend op het moment dat het proces-verbaal binnenkomt bij ofwel het CJIB ofwel het OM. Dit gebeurt dan, net als vóór de inwerkingtreding van de WIVVG, op basis van de personalia.
Alle verdachten krijgen een SKN, ook verdachten zonder vaste woon- of verblijfplaats. Voor de identiteitsvaststelling en de registratie gelden de gewone regels: afhankelijk van of er sprake is van een misdrijf als omschreven in 67 lid 1 Sv (alleen in geval van twijfel over de identiteit ook voor lichtere feiten, ter beoordeling van de ovj of hulp-ovj), wordt wel of niet biometrie toegepast. Het enkele feit dat de verdachte geen vaste woon- of verblijfplaats heeft, hoeft nog niet te betekenen dat er twijfel is aan de identiteit van de verdachte. Het is aan de officier of hulpofficier van justitie om dat te beoordelen. De opsporingsambtenaar verzamelt de gegevens over de identiteit en deze worden vastgelegd in de strafrechtsketendatabank (SKDB).
Nee. Voor zover het gaat om die wetten blijft de situatie voor politie en Marechaussee zoals die was.
In ons strafprocesrecht geldt als het gaat om de waarheidsvinding en de opsporing het beginsel dat een verdachte niet verplicht kan worden actief mee te werken aan het vergaren van bewijs tegen hemzelf resp. aan zijn eigen veroordeling. Dat wordt wel aangeduid als het "nemo tenetur"-beginsel. Iemand moet in vrijheid zijn positie kunnen bepalen wanneer hij als verdachte is aangemerkt. Vandaar bijvoorbeeld dat de verdachte niet tot antwoorden verplicht is. En een bevel tot uitlevering van goederen die in beslag genomen moeten worden, wordt ook niet aan de verdachte gegeven. In dezelfde lijn ligt het dat de verdachte niet verplicht is mee te werken aan het nemen van een foto en/of vingerafdrukken. Dat is de ene kant van het verhaal. De andere kant van het verhaal is, dat de overheid niet passief kan afwachten of mensen willen meewerken aan het ophelderen van strafbare feiten c.q. het vergaren van bewijsmateriaal. Vandaar dat het Wetboek van Strafvordering voorziet in de mogelijkheid van het toepassen van "dwangmiddelen". Voorlopige hechtenis is bijvoorbeeld zo'n dwangmiddel. Een verdachte is niet verplicht mee te wandelen naar het bureau of het huis van bewaring als hem dat gevraagd wordt.
En een bevel om mee te wandelen kan hem niet gegeven worden. Maar de politie is wel bevoegd hem aan te houden en desnoods "met gepast geweld" mee te nemen en in te sluiten. Precies zo ligt het met de vingerafdrukken en de foto. Als het gaat om opsporing en identificatie is er sprake van "dwangmiddelen".
Als wij daarentegen een paar stappen verder zijn in het proces en bekend is wie de verdachte is, dan is er sprake van verificatie. In die situaties is de verdachte wel een verplichting opgelegd om mee te werken. Bijvoorbeeld bij de rechter of bij de reclassering. Maar dan is het niet meer een meewerken aan het vergaren van bewijs tegen zichzelf, maar simpelweg een check of we de juiste persoon als verdachte voor ons hebben. Hierop berust dus het verschil tussen het niet verplicht zijn tot meewerken in de fase van de opsporing (dus aan de identificatie) en het wel verplicht zijn tot meewerken in latere fasen (dus aan de verificatie).
Informatie uit de SKDB mag niet worden doorverstrekt aan functionarissen of instanties die geen deel uitmaken van de strafrechtsketen. Volgens artikel 2 van het Besluit identiteitsvaststelling verdachten en veroordeelden (BIVV) worden de gegevens die noodzakelijk zijn voor de vaststelling van de identiteit van een verdachte of veroordeelde, dus o.a. de foto’s (zie art. 55c Sv), in de SKDB opgeslagen. Al die gegevens zijn verzameld met het oog op het vaststellen van de identiteit van een verdachte. Als de identificatie is uitgevoerd door de politie, zijn het weliswaar politiegegevens als bedoeld in art. 1, onder a, WPolG, maar voor wat betreft de regels over de verdere verwerking vallen zij onder het regime van de artikelen 27b en 55c Sv en het BIVV. Zie de MvT bij de WIVVG (TK 31436, nr. 3, p. 43-44).
Op de "verdere verwerking" van de in de SKDB opgeslagen gegevens, waaronder de verstrekking daarvan, is primair het regime van de art. 27b en 55c Sv en van het BIVV van toepassing en daarnaast de algemene basisprincipes voor gegevensverwerkingen van de WBP voor zover deze principes niet nader uitgewerkt zijn bij het BIVV.
Het BIVV regelt in artikel 4 de toegang tot en verwerkingen in de strafrechtsketendatabank: alleen de medewerkers van JustID hebben toegang voor zover zij toegang nodig hebben voor een goede vervulling van hun taak. Ze kunnen ook de gegevens verwerken. Daarnaast kunnen de functionarissen en organen die met de toepassing van het strafrecht zijn belast, en de functionarissen die met de uitvoering van de Vreemdelingenwet 2000 zijn belast, de gegevens uit de strafrechtsketendatabank rechtstreeks langs geautomatiseerde weg raadplegen, voor zover zij die gegevens nodig hebben voor een goede vervulling van hun taak en de Justitiële Informatiedienst hen daartoe gemachtigd heeft. Behoudens het (geautomatiseerd) raadplegen, mogen de desbetreffende medewerkers de gegevens niet "verwerken", en dus ook niet verstrekken. Het BIVV voorziet verder niet in de mogelijkheid voor anderen dan voornoemde medewerkers om toegang tot (lid 1) c.q. inzage in (lid 2) de gegevens van de SKDB te krijgen.
Artikel 4 van het BIVV regelt de toegang tot en verwerkingen van de gegevens uit de SKDB uitdrukkelijk en dus kan op deze punten niet worden teruggevallen op de algemene principes van de WBP.
Kortom, "doorverstrekken" aan anderen dan de functionarissen en organen die met de toepassing van het strafrecht of met de uitvoering van de Vreemdelingenwet 2000 zijn belast, is niet toegestaan. De functionarissen en organen die met de toepassing van het strafrecht zijn belast en de functionarissen die met de uitvoering van de Vreemdelingenwet 2000 zijn belast, hebben wel recht op (geautomatiseerde) verstrekking van de gegevens vanuit de SKDB en voor hen kan het dus ook niet bezwaarlijk zijn als de politie zulke gegevens met hen uitwisselt.
Nee. Artikel 55c, vierde lid, Sv dient in combinatie met artikel 4 van het BIVV te worden gelezen. Wat de politie betreft, betekent dit dat geautoriseerde politieambtenaren foto’s in de SKDB zo nodig kunnen raadplegen voor opsporings- dan wel vervolgingsdoeleinden. Van verstrekken van deze gegevens aan winkeliers kan echter geen sprake zijn.
De WIVVG kent geen aparte statussen. Dus als opsporingsambtenaren als verdachte worden verhoord, moet ook van hen de identiteit worden vastgesteld volgens de normale wettelijke regels zoals die voor alle verdachten gelden.
Dit geldt voor verdachte:
- die is aangehouden
- of op een plaats van verhoor wordt verhoord,
- op verdenking van een misdrijf als bedoeld in artikel 67, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, d.w.z. een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegestaan. De verruiming van de “gevallen” waarvoor voorlopige hechtenis is toegestaan in het tweede lid van artikel 67 (“geen vaste woon- of verblijfplaats”) is voor de identiteitsvaststelling niet van toepassing.
Nee. Als het gaat om de vaststelling van de identiteit van een verdachte op straat kent het Wetboek van Strafvordering één dwangmiddel, namelijk de staandehouding (artikel 52), en dat omvat niet het nemen van vingerafdrukken. Het gaat in artikel 52 om het vragen naar de naam, voornamen, geboortedatum, geboorteplaats en adres. Aan de hand van die gegevens kan de opsporingsambtenaar desgewenst informatiebronnen raadplegen. En op basis van de informatie die hij dan krijgt, kan hij beslissen of hij de verdachte wel of niet aanhoudt.
Aanhouding daarentegen strekt ertoe dat de verdachte wordt overgebracht naar een plaats van verhoor (artikel 53-54). Als tot aanhouding wordt overgegaan, moet de verdachte ten spoedigste (art. 53) c.q. onverwijld (art. 54) worden voorgeleid aan de officier of een hulpofficier van justitie. Onder de paraplu van "aanhouden" in de zin van artikel 55c kunnen dus geen foto's en vingerafdrukken op straat worden genomen. Een andere opvatting zou het onderscheid tussen "staande houden" en "aanhouden" onaanvaardbaar doen verwateren.
In situaties dat er gebruik wordt gemaakt van een mobiel kantoor en de "plaats van verhoor" zodoende dus als het ware naar de straat wordt gebracht, is er uiteraard geen bezwaar tegen om de identiteitsvaststelling na aanhouding uit te voeren in dat mobiele kantoor.
Nee. Artikel 52 Sv biedt geen ruimte om vingerafdrukken van een staande gehouden verdachte te nemen, ook niet op vrijwillige basis. Bovendien heeft de Nationale ombudsman in het kader van een uitspraak over een (al dan niet rechtmatig uitgevoerd) onderzoek aan het lichaam van de verdachte gesteld dat van vrijwillige medewerking aan een dergelijk onderzoek nooit sprake kan zijn, omdat in de verhouding van de verdachte tot de politie altijd sprake is van een zekere druk en van ondergeschiktheid. (Wel kunnen op grond van 55c lid 2 en 3 Sv in het geval van twijfel over de identiteit ook van een staande gehouden verdachte vingerafdrukken worden genomen; dit vergt een beslissing van de officier of hulpofficier van justitie.)
Alleen als er twijfel is omtrent de identiteit van de verdachte in een situatie dat er géén sprake is van een misdrijf als bedoeld in artikel 67, eerste lid, Wetboek van Strafvordering.
Artikel 55c Sv schrijft voor dat de identiteit van een verdachte wordt vastgesteld door een onderzoek van het identiteitsbewijs en het nemen van een of meer foto’s en vingerafdrukken. In deze bepaling is de verantwoordelijkheid gelegd bij de algemeen opsporingsambtenaar (“141- er”). De bedoeling van de nieuwe wet was echter uitdrukkelijk dat de bestaande praktijk zou kunnen worden gecontinueerd. Die praktijk houdt in dat technisch personeel van politie (ongeacht of het een "politie-BOA" betreft of niet) onder verantwoordelijkheid van de algemene opsporingsambtenaar de feitelijke handelingen tot het vaststellen van de identiteit verricht (dus de apparatuur feitelijk bedient). Zie de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel. Zie Kamerstukken II, 2007-2008, 31436 nr. 3, p. 72.
Bij de voorbereiding van de implementatie van de wet door de politie is echter gebleken dat het wenselijk is de apparatuur ("de zuil") zoveel mogelijk te laten bedienen door gespecialiseerd personeel dat van die handelingen ook proces-verbaal kan opmaken. Om dit mogelijk te maken is een wetswijziging in gang gezet die op dit moment (juli 2011) nog aanhangig is bij de Eerste Kamer. Deze wetswijziging maakt het dus mogelijk dat de politie-BOA's niet alleen (zoals tot dusver) de feitelijke handelingen aan de "zuil" verrichten, maar ook het proces-verbaal van identiteitsvaststelling opstellen en ondertekenen. Zonder de aanhangige wetswijziging blijft de in de memorie van toelichting beschreven praktijk geldig (een technisch medewerker verricht de feitelijke handelingen, terwijl de "141-er" verantwoordelijk is en het proces-verbaal ondertekent). De "141-er" kan bijvoorbeeld in het proces-verbaal verslag doen van de feitelijke uitvoering van de identiteitsvaststelling (de bediening van de apparatuur) door de desbetreffende technisch ambtenaar.
Voor de vingerafdrukken bestaat er geen verschil meer wat de wettelijke regeling betreft. De vingerafdrukken die in geval van een VH-misdrijf of in geval van twijfel over de identiteit van de verdachte worden genomen, mogen ook worden gebruikt voor opsporing. Het nemen van vingerafdrukken als maatregel "in het belang van het onderzoek" is daarmee, als zijnde overbodig, geschrapt uit artikel 61a.
Voor het nemen van foto's bestaat er nog wel verschil. Artikel 55c beperkt zich tot de gelaatsfoto's die genomen worden ten behoeve van de identiteitsvaststelling. Daarnaast zijn nog steeds foto's mogelijk als maatregel "in het belang van het onderzoek" volgens artikel 61a. Dat betreft dan foto's van littekens, tatouages en andere bijzondere kenmerken van de verdachte. Voor deze foto's "in het belang van het onderzoek" is een bevel van de rechter-commissaris, de officier van justitie of hulpofficier van justitie vereist.
De bedoeling van artikel 55c, vierde lid, is om het gebruik voor opsporingsdoeleinden van de foto's en vingerafdrukken die zijn genomen ten behoeve van identiteitsvaststelling zonder meer mogelijk te maken. Daar zijn geen aanvullende vorderingen of bevoegdheden (zoals bijv. BOB, artikel 126nd, 126nf Sv) voor nodig. De vingerafdrukken die zijn genomen voor identiteitsvaststelling worden (a) opgenomen in HAVANK en (b) bij die gelegenheid ook meteen langs alle reeds bestaande sporen gehaald. En als de vingerafdrukken eenmaal in HAVANK zijn opgenomen, dan (c) zullen alle sporen die in de toekomst gevonden worden op hun beurt langs de reeds van bekende verdachten aanwezige vingerafdrukken worden gehaald (dus ook langs de vingerafdrukken die genomen zijn voor identiteitsvaststelling).
De bewaartermijnen zijn in alle gevallen gelijk.
Voor de identiteitsvaststelling wordt volgens het protocol in beginsel alleen een frontale foto genomen. Zo nodig kunnen echter onder het nieuwe artikel 55c Wetboek van Strafvordering meer gelaatsfoto's van verdachten worden genomen; daarvoor is geen toestemming van de officier of hulpofficier van justitie nodig. Toestemming van de officier of hulpofficier van justitie is alleen nodig voor de foto's als bedoeld in artikel 61a ("in het belang van het onderzoek"), d.w.z. foto's van littekens, tatoeages en andere bijzondere kenmerken van de verdachte.
Nee, mensen met burka aan dienen op het punt van het vaststellen van hun identiteit niet anders behandeld te worden dan mensen zonder burka. Op hen is zonder uitzondering de WIVVG van toepassing en er dienen dus foto's en vingerafdrukken van hen genomen te worden. Strafvorderlijke dwangmiddelen kunnen nu eenmaal een (gerechtvaardigde) inbreuk maken op grondrechten van burgers.
Nee, dit maakt juridisch geen verschil. De wet spreekt slechts van "de overeenkomstig dit wetboek (bedoeld is: het Wetboek van Strafvordering) verwerkte vingerafdrukken", zonder iets te zeggen over het bestand waarin die vingerafdrukken moeten worden opgeslagen. De wet is dus op dit punt om zo te zeggen "techniek-onafhankelijk". Dit geldt ook voor het Protocol dat bij de wet hoort.
Ja, maar alleen "in het belang van het onderzoek", d.w.z. als daar in het concrete onderzoek noodzaak toe bestaat. Tot aan de inwerkingtreding van de WIVVG was het in een aantal korpsen gebruikelijk dat standaard door de arrestantenverzorgers ook handpalmafdrukken van verdachten werden gemaakt. Dit was toen reeds in strijd met de geldende regelgeving. De bedoeling van de nieuwe wet is uitdrukkelijk dat er een einde gemaakt wordt aan deze praktijk.
Onder de WIVVG is de regeling van het nemen van handpalmafdrukken niet veranderd ten opzichte van de oude wetgeving. Dat betekent dat het nemen van handpalmafdrukken niet standaard is toegelaten, maar alleen "in het belang van het onderzoek" zoals bedoeld in artikel 61a Wetboek van Strafvordering. Praktisch gesproken betekent dat, dat het nemen van de handpalmafdrukken alleen is toegestaan als daar in het concrete onderzoek noodzaak toe bestaat. Voor het nemen van de handpalmafdrukken is volgens artikel 62a, eerste lid, een bevel nodig van de rechter-commissaris als er een gerechtelijk vooronderzoek is, en anders, als er geen gerechtelijk vooronderzoek is, een bevel van de officier van justitie. Volgens het tweede lid van artikel 62a mag de hulpofficier van justitie het bevel geven "gedurende de ophouding voor onderzoek en de inverzekeringstelling", maar alleen "indien het optreden van de officier van justitie niet kan worden afgewacht". (Het bevel kan dan alleen c.q. moet dan worden gegeven door de hulpofficier van justitie die de ophouding voor onderzoek dan wel de inverzekeringstelling heeft gelast.)
De wet is op dit punt dus niet aangepast aan de praktijk. Integendeel, de wetgever is van oordeel dat de tot dusver gevolgde praktijk zich dient aan te passen aan de wet. Het is aan de korpschefs om hier invulling aan te geven en aan het openbaar ministerie om hierop toe te zien.
Voor deze situatie worden in fase 3 van het project Implementatie wet en protocol identiteitsvaststelling (IWPI) oplossingen ontwikkeld. Zolang die er nog niet zijn, is het toegestaan om procedure 4 achterwege te laten. Zie de circulaire van de minister van Justitie van 26 mei 2010 over de inwerkingtreding van de wet identiteitsvaststelling verdachten, veroordeelden en getuigen.
Het nemen van vingerafdrukken "in het belang van het onderzoek" is geschrapt uit artikel 61a Wetboek van Strafvordering omdat de wetgever ervanuit ging dat bij verdachten voor VH-misdrijven in één keer zowel de platte als de gerolde vingerafdrukken zouden worden genomen. Als om praktische redenen er noodgedwongen mee volstaan wordt om in eerste instantie alleen de platte vingerafdrukken te nemen, is er vanuit de wet bezien geen enkel bezwaar om in een later stadium alsnog ook de gerolde vingerafdrukken te nemen. Een afzonderlijk bevel van de officier of hulpofficier van Justitie is daarvoor ook niet nodig, want het nemen van de gerolde vingerafdrukken van verdachten voor VH-misdrijven valt, ook als dat later gebeurt, nog steeds onder artikel 55c, tweede lid, Wetboek van Strafvordering.
Ja. Het "vermoeden" kan ook ontstaan doordat de verdachte een identiteitsdocument heeft dat erop wijst dat hij een vreemdeling is. (Je kunt dat vergelijken met het "vermoeden" in artikel 27: ook al heeft de politieagent met zijn neus bovenop het strafbare feit gestaan en weet hij dus 100% zeker wie de dader is, dan is er nog steeds sprake van een "vermoeden" resp. een "verdachte" in de zin van dat artikel.) Echter, op grond van artikel 55c mogen de genomen vingerafdrukken alleen worden "vergeleken" met die in de BVV. Het artikel biedt dus geen basis voor het vastleggen van de vingerafdrukken van de vreemdeling in de BVV; dat moet gebaseerd worden op de Vreemdelingenwet 2000.
Het SKN en de regels voor identiteitsvaststelling zijn van toepassing op alle verhoren die worden uitgevoerd onder het Nederlandse Wetboek van Strafvordering. Dus alleen als de verdachte in het buitenland wordt gehoord volgens het Nederlandse Wetboek van Strafvordering, moet volgens de WIVVG diens identiteit worden vastgesteld en SKN worden gegenereerd.
Ja.
Beide opties zijn mogelijk, het hangt er maar net van af waar het korps of de opsporingsambtenaar voor kiest.
Nee, niet als dit op voorhand vaststaat. In de fiscale wetgeving heeft de fiscus een eigenstandige bestuurlijke boetebevoegdheid voor het afdoen van fiscale delicten. Via de "ATV-richtlijnen" is de waterscheiding tussen afdoening door de fiscus en afdoening door het OM vastgesteld in de vorm van een drempelbedrag. Komt het bedrag van de fraude boven de drempel, dan gaat de zaak naar het OM; blijft het onder de drempel, dan is het weliswaar nog steeds een strafbaar feit, maar dan doet de fiscus de zaak af met een fiscale boete. Dat laatste is bestuursrecht, geen strafrecht. We hebben hier in feite te maken met een vorm van decriminalisering, maar dan buitenwettelijk, namelijk via beleidsregels. Bij de wettelijke vormen van decriminalisering is er sowieso geen sprake meer van toepassing van strafrecht. Het is redelijk om datzelfde ook van toepassing te achten op de situatie van de fiscale fraude, waar de decriminalisering is geregeld via beleidsregels.
Dezelfde situatie doet zich ook op andere gebieden voor, buiten het fiscale strafrecht. In al die gevallen geldt dus, dat als op voorhand vaststaat dat de ernst van het feit blijft beneden de drempel voor toepassing van strafrecht en de zaak dus met een bestuurlijke sanctie zal worden afgedaan, er geen reden is om de wet en het protocol identiteitsvaststelling toe te passen.
Ja. (Met "niet-politie-BOA's" worden bedoeld die buitengewoon opsporingsambtenaren die niet in dienst zijn van de politie of van de vier Bijzondere opsporingsdiensten.) De bevoegdheid van de "niet-politie-BOA" om van een verdachte - óók in het kader van de identiteitsvaststelling - inzage in zijn identiteitsbewijs te vorderen, berust op het tweede lid van artikel 8a Politiewet 1993. De verplichting van de verdachte om in dat geval zijn identiteitsbewijs ter inzage aan te bieden, is vastgelegd in artikel 2 Wet op de identificatieplicht.
De bevoegdheid van een ambtenaar van een BOD om van een verdachte inzage in een identiteitsbewijs te vorderen, is vastgelegd in artikel 6a van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten. De verplichting van de verdachte om in dat geval zijn identiteitsbewijs ook ter inzage aan te bieden, is echter abusievelijk vervallen bij de inwerkingtreding van dat artikel. Dit wordt zo spoedig mogelijk gerepareerd. Ondertussen heeft de ambtenaar van de bijzondere opsporingsdienst echter wel de bevoegdheid om de verdachte aan zijn kleding te onderzoeken, alsmede voorwerpen die de verdachte bij zich draagt of met zich mee voert te onderzoeken, een en ander voor zover zulks noodzakelijk is voor de vaststelling van diens identiteit (artikel 55b Wetboek van Strafvordering), dus bijvoorbeeld om naar een identiteitsbewijs te zoeken.
Ook bij veroordeelden die nog niet eerder volgens de WIVVG zijn geïdentificeerd, moeten vingerafdrukken worden genomen bij gelegenheid van het afnemen van lichaamsmateriaal voor DNA-onderzoek. De wet beperkt dit niet tot degenen die reeds eerder zijn geïdentificeerd volgens de wet en protocol. Voorafgaand aan het nemen van het lichaamsmateriaal ten behoeve van DNA-onderzoek wordt de identiteit van betrokkene dus geverifieerd met behulp van het SKN plus één of twee vingerafdrukken (= P2). Als betrokkene nog niet in het vingerafdrukkensysteem herkend wordt, moeten zijn of haar vingerafdrukken (plat en gerold) alsnog daarin worden opgenomen. (De wet heeft het nemen van foto's in dit geval niet geregeld; er is dus geen sprake van een volledige P3 en P4.) Op den duur zal het echter niet meer voorkomen dat van een verdachte die is veroordeeld wegens een VH-misdrijf nog geen vingerafdrukken en foto's zijn genomen bij de aanhouding of het eerste verhoor.
Over en weer zullen de nummers (SKN, HAVANK-nummer, DNA-nummer) moeten worden opgenomen in de SKDB, HAVANK en de DNA-databank.
Door een wetstechnische vergissing geldt de verplichting om vingerafdrukken te nemen op dit moment evenwel niet voor veroordeelden die niet zijn aangehouden maar zelf op het politiebureau komen om lichaamsmateriaal te laten afnemen voor DNA-onderzoek. Deze lacune in de wet wordt zo snel mogelijk gedicht. Wel mag van deze personen inzage in een identiteitsbewijs worden gevorderd op basis van de Politiewet.
In de WIVVG is geregeld dat verdachten en/of veroordeelden zich desgevraagd moeten legitimeren door het overleggen van een identiteitsbewijs, en dat de verifiërende functionaris daarnaar moet vragen. Het maken en opslaan van een kopie van het identiteitsbewijs is niet met zoveel woorden in de wet geregeld, maar wordt wel verondersteld; zie de memorie van toelichting (TK 31436 nr. 3, p. 38). (Het bewaren van het BSN via de kopie van het identiteitsbewijs is daarmee dus ook impliciet geregeld in de WIVVG.)
Deze personen zullen in de toekomst veelal met biometrie worden geïdentificeerd en kunnen dus ook met biometrie worden geverifieerd.
Ja. Het gaat hier typisch om uitzonderingsgevallen. Het heeft geen zin hier aparte regels voor te maken.
De wet en de wetsgeschiedenis hanteren het uitgangspunt dat de reclassering en de kinderbescherming alleen maar iemands identiteit moeten vaststellen als niet een andere organisatie daarvoor verantwoordelijk is. Dat betekent dat zij wel de identiteit moeten controleren van bijvoorbeeld een verdachte of veroordeelde die zich bij hen meldt voor het uitvoeren van een taakstraf, maar niet in het geval dat zij hem bezoeken in een penitentiaire inrichting of in een politiecel of hem steun verlenen op de terechtzitting. In die gevallen zijn die andere organisaties verantwoordelijk voor het controleren van de identiteit.
Ja, sinds de inwerkingtreding van de WIVVG op 1 oktober 2010 zijn de functionarissen en organen die met de toepassing van het strafrecht zijn belast, verplicht bij het onderling uitwisselen van persoonsgegevens over verdachten en veroordeelden het strafrechtsketennummer te gebruiken. Dit geldt ook voor de aanbieders van forensische zorg. Wat de "oude" zaken betreft, op basis van de nieuwe regels is het verplicht het VIP-nummer van de justitiabele in de strafrechtsketendatabank te verwerken zolang aan hem nog geen SKN is toegekend. Voor die zaken mag en moet men derhalve het VIP-nummer gebruiken.
Nee, dit is tot dusver voorbehouden aan organisaties die "overheidsorgaan" in de zin van de Wet algemene bepalingen BSN, resp. "bestuursorgaan" in de zin van de Algemene wet bestuursrecht zijn, dan wel voor wie het gebruik van het BSN expliciet in de wet is toegestaan of voorgeschreven (zoals in de Wet gebruik BSN in de zorg). Hiertoe behoren bijvoorbeeld niet de drie reclasseringsorganisaties. Er wordt op dit moment (juli 2011) echter gewerkt aan een wetsvoorstel om het voor iedere partij in de strafrechtsketen mogelijk te maken het BSN te gebruiken ten behoeve van de informatie-uitwisseling buiten de strafrechtsketen.
Dit betekent niet dat men geen kopie mag maken van het identiteitsbewijs voor eigen gebruik, ook al krijgt men daarmee de beschikking over het BSN van de verdachte of veroordeelde (nl. door die kopie digitaal of fysiek te bewaren).
Ten eerste bestaat er geen onderscheid tussen SKN's die wél en SKN's die níet aan biometrie gekoppeld zijn: álle verdachten krijgen een SKN. Een SKN is dus geen kwaliteitskeurmerk voor de identiteitsvaststelling. Wel wordt er in de SKDB een vlaggetje geplaatst bij een SKN dat is uitgegeven op basis van een identificatie met vingerafdrukken (een "biometrisch SKN”). Dat vlaggetje moet dan verdwijnen. Er zal dus vanuit JDS een signaal moeten gaan naar de SKDB dat het vlaggetje weg moet. Ten tweede zal bij de eerstvolgende identiteitsvaststelling mét vingerafdrukken het signaal terugkomen: "nog niet bekend in het vingerafdrukkenbestand" en zal dus een nieuw SKN worden gegenereerd, op basis van biometrie. Het reeds bestaande "niet-biometrische" SKN wordt dan aan dat nieuwe "biometrische” SKN ondergeschikt gemaakt.
In geval van sepot of vrijspraak etc. wordt de uitspraak van de rechter of de beslissing van de officier als zodanig geregistreerd in JDS. Dus moeten ook de personalia en het SKN in de SKDB bewaard blijven. De overige gegevens (foto's, vingerafdrukken, DNA-profielen) moeten echter vernietigd worden. Alleen in geval van politiesepot en sepot "01" (= "achteraf bezien ten onrechte als verdachte aangemerkt") én bij een met succes afgeronde HALT-afdoening moeten ook de personalia en het SKN in de SKDB vernietigd worden; deze beslissingen worden namelijk ook niet geregistreerd in JDS.
Voor de toepassing van de bewaartermijnen is een vrijspraak een vrijspraak en een sepot een sepot; de wet maakt geen onderscheid in soorten vrijspraken en soorten sepots (alleen is er wel een onderscheid tussen "sepot 01" en de overige sepots: in geval van sepot "01" - en in geval van een politiesepot - moeten ook de personalia en het SKN in de SKDB vernietigd worden).
De sepotbeslissing is niet met zoveel woorden in artikel 4 van de WJSG opgenomen. Niettemin moet, gelet op het doel en de strekking van dat artikel, worden aangenomen dat daarvoor een soortgelijke start- en einddatum geldt als voor de justitiële gegevens met een einduitspraak of een volledige tenuitvoerlegging van een strafbeschikking, nl. de datum waarop de sepotbeslissing is genomen.
De nieuwe bewaartermijnen gelden alleen voor de gegevens die ná 1-10-2010 worden verwerkt. Op de gegevens die vóór die datum zijn verwerkt, blijven de termijnen van toepassing die vóór de inwerkingtreding van de wet golden. (Voor de "oude" justitiële en strafvorderlijke gegevens gelden echter vanaf 1 oktober 2010 wel de nieuwe bewaartermijnen.)
De beslissing tot sepot door een opsporingsambtenaar vormt geen “justitieel gegeven” en wordt niet geregistreerd in JDS. Er is ook geen sprake van mandaat van de beslissing omtrent vervolging door de officier van justitie aan de opsporingsambtenaar. Dit betekent dat het een politiegegeven is, omdat het wordt verwerkt ten behoeve van de uitvoering van de politietaak. De bewaartermijn is dan 5 jaar (artikel 8 WPolG). Wel moet deze afdoening worden gemeld aan JustID, opdat ook de overige gegevens in zo'n geval vernietigd kunnen worden.
Ook voor die zaken gelden de gewone bewaartermijnen. Om te voorkomen dat in dergelijke gevallen gegevens te lang bewaard worden, zal de Justitiële Informatiedienst een signaal afgeven indien enige tijd na registratie geen enkele actie in de zaak is gemeld.
De foto’s van verdachten die de politie of de Koninklijke marechaussee heeft genomen, zijn politiegegevens als bedoeld in artikel 1, onder a, van de Wet politiegegevens, maar vallen voor wat betreft de regels over de verdere verwerking, zoals de bewaartermijnen en de regels over het gebruik van de gegevens, onder het regime van het voorgestelde artikel 27b Sv en de algemene maatregel van bestuur, gebaseerd op de artikelen 27b, vijfde lid, en 55c, vijfde lid, Sv. Op grond van artikel 55c, tweede of derde lid, Sv worden de foto’s genomen ten behoeve van de identiteitsvaststelling in de strafrechtsketen en op grond van artikel 27b, vierde lid, Sv worden ze verwerkt in de strafrechtsketendatabank.
Zoals eerder uiteengezet is, is het de bedoeling dat de politie en de Koninklijke marechaussee van verdachten wegens een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, alsmede van verdachten die zijn identiteit niet bekend wil maken en de verdachten ten aanzien van wie twijfels over hun identiteit bestaan, niet alleen een foto, maar ook vingerafdrukken nemen. Deze vingerafdrukken worden, anders dan de foto’s, opgeslagen in het vingerafdrukkenbestand HAVANK waarvoor de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de verantwoordelijkheid draagt en waarover het Korps landelijke politiediensten het beheer voert. Op deze vingerafdrukken is de Wet politiegegevens van toepassing.
Tot slot kan worden opgemerkt dat de voorwaarden voor de verdere verwerking van de gegevens over vingerafdrukken, zoals de bewaartermijnen en de regels over het gebruik van de gegevens, geregeld worden in het voorgestelde artikel 55c Sv en de op het vijfde lid van dat artikel gebaseerde algemene maatregel van bestuur. In dit opzicht gelden eigen regels op basis van het Wetboek van Strafvordering, die afwijken van de regels van de Wet politiegegevens.